De onderstaande artikelen zijn geplaatst onder verantwoordelijkheid van Kantoor Mr. van Zijl advocaten te Tilburg.
Een wegens ziekte uitgevallen werknemer verricht tijdens ziekte werkzaamheden voor een schildersbedrijf van een vriend, zonder dit aan de werkgever te melden. Nadat een rechercheonderzoek dit bevestigt, volgt een ontslag op staande voet. De werknemer komt daar niet tegen op. De werkgever stapt naar de kantonrechter en verzoekt onder meer om een schadevergoeding voor de kosten van het inschakelen van een recherchebureau en voor de kosten van doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de kosten van het rechercheonderzoek op de werknemer mag verhalen. Het inschakelen van een onderzoeksbureau is onder de gegeven omstandigheden redelijk en ook de gemaakte kosten zijn redelijk. Het verzoek om vergoeding van schade ter hoogte van het tijdens ziekte betaalde loon wijst de kantonrechter af. Hoewel de werknemer de werkgever en de bedrijfsarts onjuist had geïnformeerd, staat niet vast dat daardoor geen recht op loon bestaat. Een werknemer is sinds september 2025 arbeidsongeschikt voor zijn werk als machinist en ontvangt loon tijdens ziekte. Op basis van signalen dat hij elders werkzaamheden verricht, laat de werkgever een rechercheonderzoek uitvoeren. Uit observaties blijkt dat de werknemer tijdens zijn ziekte meerdere dagen schilderwerkzaamheden verricht voor een schildersbedrijf van een vriend. Vervolgens wordt hij op 20 maart 2026 op staande voet ontslagen. Tegen het ontslag stelt hij geen rechtsmiddel in, waardoor het ontslag onherroepelijk wordt. De werkgever vordert bij de kantonrechter een gefixeerde schadevergoeding wegens het (vanwege het ontslag op staande voet) voortijdig eindigen van de arbeidsovereenkomst, vergoeding van de tijdens het re-integratietraject gemaakte mediationkosten en vergoeding van de kosten voor het inschakelen van een recherchebureau. Ook vordert de werkgever vergoeding van schade ter hoogte van het tijdens ziekte doorbetaalde loon. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door tijdens zijn arbeidsongeschiktheid werkzaamheden voor een derde te verrichten zonder dit aan de werkgever te melden. Dat de werknemer stelt dat het slechts om lichte werkzaamheden gaat en niet vaststaat dat hij daarvoor wordt betaald, maakt dat niet anders. Nu hij tegenover de werkgever en de bedrijfsarts had aangegeven niet te kunnen re-integreren, terwijl zijn loon werd doorbetaald, levert dit een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Daarom is de werknemer ook de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. De kosten van mediation worden door de kantonrechter afgewezen. De werkgever heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze kosten als schade voor rekening van de werknemer zouden moeten komen en waarom zij niet behoren tot de normale kosten die samenhangen met de re-integratieverplichtingen van de werkgever. Anders oordeelt de kantonrechter over de recherchekosten. Deze kosten komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking als zij zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de omvang van die kosten redelijk is. De werkgever had de werknemer eerder een waarschuwing gegeven naar aanleiding van signalen dat de werknemer elders werkte. Toen het vermoeden bleef bestaan, was het volgens de kantonrechter redelijk om een onderzoeksbureau in te schakelen. Ook de hoogte van de kosten vindt de kantonrechter redelijk. Het volledige bedrag van € 23.522,05 exclusief btw wordt dan ook door de kantonrechter toegewezen. Het verzoek om vergoeding van schade ter hoogte van het tijdens ziekte betaalde loon wijst de kantonrechter echter af. Hoewel de werknemer de bedrijfsarts onjuist heeft geïnformeerd, staat daarmee nog niet vast dat hij bij juiste informatie wel had moeten re-integreren of dat hij zijn re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden. De bedrijfsarts heeft immers geoordeeld dat hij volledig arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werkzaamheden. Daarnaast vormt het betaalde loon geen schade die rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de werknemer, omdat de werkgever gedurende het dienstverband contractueel gehouden was het loon door te betalen. ...lees verder.
Een werknemer die ziek was als gevolg van een arbeidsconflict meldt zich hersteld als 102 weken van arbeidsongeschiktheid zijn verstreken. De werkgever aanvaardt de hersteldmelding niet. In een deskundigenoordeel geeft het UWV aan dat de werknemer niet hersteld is, maar de werknemer ziet dat anders. De kantonrechter laat het deskundigenoordeel van het UWV echter buiten beschouwing, omdat de verzekeringsarts van het UWV geen hoor en wederhoor heeft toegepast, een onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd en omdat het oordeel van de verzekeringsarts onvoldoende is gemotiveerd. Op grond van het oordeel van de bedrijfsarts is de kantonrechter van mening dat de werknemer niet hersteld was. Omdat hij ook niet gewerkt heeft, heeft hij na 104 weken geen recht meer op loon. Bij een fabrikant van tortilla’s bestaat een conflict tussen de directeur en de aandeelhouder. De directeur stelt dat aan hem 50% van de aandelen is toegezegd en vraagt nakoming van die toezegging, maar de aandeelhouder houdt de directeur verantwoordelijk voor frauduleuze handelingen en heeft het vertrouwen in de directeur opgezegd. Twee dagen later meldt de directeur zich ziek. De bedrijfsarts is van mening dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer het gevolg is van zowel ziekte als een arbeidsconflict. Nadat de arbeidsongeschiktheid ongeveer tien maanden heeft geduurd, adviseert de bedrijfsarts om mediation in te zetten om het conflict op te lossen. Dat advies wordt eerst nog enkele malen herhaald voordat het, nog eens bijna tien maanden later, tot een eerste mediationgesprek komt. Bij dat eerste gesprek blijft het echter voorlopig. Uit de adviezen van de bedrijfsarts blijkt inmiddels dat de ziekte als oorzaak van de arbeidsongeschiktheid binnen afzienbare tijd kan eindigen zodra het arbeidsconflict is opgelost. Als het einde van de periode van 104 weken ziekte (waarin de werkgever het loon moet doorbetalen) in zicht komt, wijst de werkgever de werknemer er meerdere malen op dat hij een aanvraag voor een WIA-uitkering moet indienen. Als de werknemer dat niet doet, vraagt de werkgever aan de bedrijfsarts een advies. Dat advies moet dienen om, zodra de werknemer langer dan twee jaar ziek is, een ontslagaanvraag voor de werknemer te onderbouwen. De bedrijfsarts geeft de gevraagde verklaring: de werknemer kan volgens de bedrijfsarts geen passende arbeid verrichten en het is niet de verwachting dat dat binnen 26 weken zal veranderen. Nadat 102 weken van arbeidsongeschiktheid zijn verstreken, meldt de werknemer zich dan plotseling hersteld. De werkgever weigert echter deze hersteldmelding te accepteren. Daarop vraagt de werknemer bij het UWV een deskundigenoordeel aan. Na een telefoongesprek met de werknemer en zijn advocaat verklaart de verzekeringsarts dat het plausibel is dat de werknemer ziek is geweest en dat de werknemer geschikt voor zijn werk zal zijn nadat mediation heeft plaatsgevonden, wat volgens de verzekeringsarts tot dan toe niet het geval is geweest. De werkgever dient dan vervolgens bij de kantonrechter een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. De werknemer vraagt op zijn beurt een voorlopig getuigenverhoor aan om de toezegging tot verkoop van de aandelen te bewijzen. Daarnaast vordert de werknemer in kort geding doorbetaling van het loon. De werkgever is daarmee namelijk gestopt nadat 104 weken waren verstreken. Een tweede mediationsessie blijft zonder resultaat. In het kort geding stelt de kantonrechter allereerst dat partijen van mening verschillen over de vraag of uit het deskundigenoordeel nu volgt dat de werknemer arbeidsgeschikt is. Maar de kantonrechter laat het deskundigenoordeel buiten beschouwing, omdat de verzekeringsarts geen hoor en wederhoor heeft toegepast en geen informatie van de behandelaren van de werknemer heeft opgevraagd en omdat de verzekeringsarts het oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het deskundigenoordeel van het UWV ook de voorwaarde van mediation stelt en omdat de bedrijfsarts de werknemer steeds arbeidsongeschikt heeft geacht, kan er volgens de kantonrechter niet van uit worden gegaan dat de werknemer na 102 weken hersteld was. Daarom heeft hij na 104 weken geen recht meer op loon. De loonvordering wordt dan ook afgewezen. ...lees verder.
Een werkgever had aan een werknemer een lening verstrekt. Nadat de arbeidsovereenkomst geëindigd was, bleef de werknemer in gebreke met de terugbetaling van de lening. Een vordering tot veroordeling van de werknemer tot terugbetaling werd echter door de kantonrechter afgewezen. De lening kwalificeerde volgens de kantonrechter als een consumentenkrediet en de werkgever had niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden die dan gelden, waaronder het vooraf geven van informatie en het vooraf beoordelen van de kredietwaardigheid van de werknemer. De werkgever stelde nog hoger beroep in bij het gerechtshof, maar die was het met de kantonrechter eens. Een loodgieters- en verwarmingsbedrijf had in december 2023 een geldlening aan een werknemer verstrekt van € 50.000. Daarbij was een rente overeengekomen van 7% per jaar. In de leningsovereenkomst was afgesproken dat de werkgever verschuldigde bedragen mag inhouden op het loon, als de werknemer niet voldoet aan verplichtingen die op grond van de leningsovereenkomst voor hem gelden. Nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, voldoet de werknemer niet aan die verplichtingen. Dat leidt ertoe dat de werkgever een vordering bij de kantonrechter instelt tot betaling van een bedrag van bijna € 52.000 (behalve de resterende hoofdsom dus waarschijnlijk ook rente en kosten). De werknemer verschijnt niet in de procedure bij de kantonrechter en daarom wijst de kantonrechter een verstekvonnis. Daarbij wordt de vordering van de werkgever echter afgewezen. Volgens de kantonrechter is de geldlening namelijk een overeenkomst van consumentenkrediet in de zin van de wet en heeft de werkgever niet voldaan aan wettelijke voorwaarden die in dat verband gelden. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatieverplichtingen en een kredietwaardigheidstoets voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. In hoger beroep betwist de werkgever dat sprake is van een overeenkomst van consumentenkrediet, met als argument dat de lening als werkgever is verstrekt. De lening was daarmee volgens de werkgever onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Maar het hof is het met de kantonrechter eens. De lening valt onder de wettelijke definitie van een consumentenkredietovereenkomst. Een lening van de werkgever kan daarvan uitgezonderd zijn, maar dan moet de rente wel lager zijn dan de marktrente. De werkgever heeft echter niet aangevoerd dat een rente van 7% lager is dan de marktrente. En omdat de werkgever, ook in hoger beroep, geen andere grondslag voor zijn vordering heeft gegeven dan de geldleningsovereenkomst, wordt de vordering van de werkgever ook door het hof afgewezen. ...lees verder.
Het UWV heeft een reeds lang lopende WIA-uitkering van een werkneemster in de bezwaarfase omgezet van een WGA-uitkering naar een IVA-uitkering. De werkneemster is het echter niet eens met de vaststelling van het dagloon en gaat in beroep. Zij vindt dat zij is aan te merken als een “medische afzakker” en dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon daardoor onjuist is vastgesteld. De rechter overweegt dat voor de berekening van het WIA-dagloon niet van belang is of de werkneemster kan worden aangemerkt als een “medische afzakker”. Het standpunt van de werkneemster dat het dagloon onjuist is vastgesteld kan alleen slagen als moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dat heeft dan een andere referteperiode voor de berekening van het dagloon tot gevolg. Maar daarvoor is vereist dat de werkneemster gedurende een aaneengesloten periode van 104 weken wegens medische beperkingen niet in staat is geweest haar functie volledig uit te oefenen. De rechtbank ziet geen reden om een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan te nemen. Er is dan ook uitgegaan van een juiste referteperiode voor de vaststelling van het dagloon. Een werkneemster is op 7 december 2015 wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Na afloop van de wachttijd van 104 weken komt zij per 4 december 2017 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV acht haar na arbeidsdeskundig onderzoek volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. In 2021 doet haar ex-werkgever bij het UWV een aanvraag voor een herbeoordeling. Naar aanleiding van die herbeoordeling beëindigt het UWV de WGA-uitkering per 3 mei 2021. Het UWV is namelijk tot de conclusie gekomen dat de werkneemster minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit maakt de werkneemster bezwaar. In bezwaar wordt haar mate van arbeidsongeschiktheid alsnog vastgesteld op 64,06%. Het door de werkneemster ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van het UWV wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Bij een besluit van 5 oktober 2023 zet het UWV de WGA-loonaanvullingsuitkering van de werkneemster met ingang van 1 december 2023 om in een WGA-vervolguitkering. Ook tegen dit besluit maakt de werkneemster bezwaar. Het UWV verklaart dit bezwaar gegrond en kent met ingang van 1 december 2023 alsnog een IVA-uitkering toe, omdat gebleken is dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Ondanks de toekenning van de IVA-uitkering gaat de werkneemster in beroep, omdat zij het niet eens is met de hoogte van de IVA-uitkering. Zij vindt dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Zij voert aan dat bij de berekening van het dagloon van een onjuiste referteperiode is uitgegaan, omdat zij een “medische afzakker” zou zijn. Volgens de werkneemster dient haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag te worden vastgesteld op april 2014, omdat zij toen als gevolg van ziekte of gebrek al gestopt was met het verrichten van overwerk. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van een medische afzakker niet relevant is voor de berekening van het WIA-dagloon. Het standpunt van de werkneemster dat haar dagloon onjuist is vastgesteld, kan slechts slagen als moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 7 december 2015. Daarvoor is vereist dat de werkneemster gedurende een aaneengesloten periode van 104 weken wegens medische beperkingen niet in staat is geweest haar functie volledig uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de werkneemster vanaf april 2014 gedurende 104 weken onafgebroken om medische redenen niet in staat is geweest haar functie in volle omvang te verrichten. Uit de beschikbare loongegevens blijkt bovendien niet dat het verminderen van de overwerkuren heeft geleid tot een daling van het loon. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voor de vaststelling van het refertejaar uit te gaan van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 7 december 2015. Het WIA-dagloon is dan ook vastgesteld op basis van de juiste referteperiode. ...lees verder.
Een zieke werknemer was zonder toestemming van de bedrijfsarts en de werkgever op vakantie naar Spanje gegaan. Die vakantie was al vastgesteld voordat de werknemer ziek was. Volgens de kantonrechter betekende dat, dat de werkgever ook vakantiedagen mocht afschrijven. In ons commentaar geven we aan wat allemaal een rol speelt bij vakantie tijdens ziekte. De uitkomst is dus voor de werkgever positief, maar klopt volgens ons niet helemaal. Bij een bedrijf dat werkzaam is in de infratechniek (leggen van kabels en leidingen) werkt een werknemer die in 2024 ziek uitvalt voor zijn werk. Tijdens zijn ziekte vertrekt de werknemer voor vakantie naar Spanje. Hij had daarvoor geen toestemming gekregen van de bedrijfsarts of de werkgever. Wel was de vakantie al aangevraagd en goedgekeurd voordat de werknemer ziek werd. In november 2024 eindigt de arbeidsovereenkomst. De werkgever weigert dan een deel van de vakantiedagen uit te betalen omdat de dagen tijdens het verblijf in Spanje door de werkgever van het vakantietegoed van de werknemer waren afgeboekt. De werknemer is het daarmee niet eens. Dat leidt tot een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af. Zij wijst erop dat de werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid mee moet werken aan zijn re-integratie. Voor een vertrek naar Spanje had de werknemer toestemming van de werkgever moeten vragen, ook al was de vakantie al goedgekeurd voordat hij ziek werd. De werkgever had dan de bedrijfsarts om advies kunnen vragen over de reis naar Spanje om te vernemen of daartegen bezwaar bestond vanwege de gezondheidssituatie van de werknemer of vanwege zijn eventuele re-integratieverplichtingen. De werkgever was in de veronderstelling dat de werknemer eerst aan de behandelend neuroloog zou vragen of hij in staat was om naar Spanje te reizen, maar de uitkomst van dat overleg heeft de werknemer niet meer teruggekoppeld aan de werkgever. In plaats daarvan liet de werknemer weten dat hij niet op het spreekuur van de bedrijfsarts kon komen omdat hij in Spanje was. Omdat niet gebleken was dat de werknemer niet in staat was om te re-integreren en omdat hij ook niet door de werkgever vrijgesteld was van re-integratieverplichtingen, mocht de werkgever de dagen waarop de werknemer in Spanje was als vakantie afboeken. ...lees verder.